Er lijkt in Nederland een merkwaardige kronkel te zijn ontstaan in de discussie over de wolf. We weten inmiddels dat het dier steeds vaker opduikt in de buurt van woningen, boerderijen en plekken waar kinderen spelen. We lezen over gedode schapen, pony’s en andere dieren. We horen verhalen van mensen die hun kinderen niet meer buiten durven te laten spelen. En toch blijft een deel van Nederland praten over de wolf alsof we het over een onschuldig bosdier hebben dat toevallig wat verkeerde keuzes maakt.
Laten we één ding niet langer uit de weg gaan: een wolf is een roofdier.
Een roofdier jaagt, doodt en verdedigt zijn territorium. Dat is geen afwijkend gedrag, dat is zijn natuur. Een wolf hoeft daarvoor niet kwaadaardig te zijn. Maar het betekent wel dat we rekening moeten houden met de risico’s die zijn aanwezigheid met zich meebrengt. En juist daar lijkt het nogal eens aan te ontbreken.
Het is gemakkelijk om vanuit een comfortabele woonkamer uit te leggen dat de wolf bij onze natuur hoort. Dat hij beschermd moet worden en dat mensen moeten leren samenleven met het dier. Maar probeer dat verhaal eens te vertellen aan ouders in Beilen die hun kinderen niet meer buiten laten spelen. Of aan een ponyhouder die zijn dier dood en verscheurd aantreft. Of aan inwoners die vuurwerk nodig hebben om een wolf uit hun woonwijk te verjagen.
Hoeveel incidenten zijn er eigenlijk nodig voordat we erkennen dat er iets aan de hand is?
Het gaat bovendien niet alleen om de vraag of een wolf daadwerkelijk een mens aanvalt. Dat lijkt in sommige discussies bijna het enige criterium te zijn. Zolang er geen mens is gebeten, zou er kennelijk weinig reden tot ingrijpen zijn. Maar veiligheid gaat over meer dan het voorkomen van lichamelijk letsel. Het gaat ook over de vrijheid om je kinderen buiten te laten spelen, over onbezorgd wandelen en over het gevoel dat je in je eigen woonomgeving veilig bent.
Moeten we werkelijk wachten tot het een keer verkeerd afloopt voordat er maatregelen worden genomen?
De tien Drentse gemeenten die nu aan de bel trekken, vertegenwoordigen inwoners die dagelijks met deze werkelijkheid worden geconfronteerd. Zij vragen niet om een uitroeiing van de wolf, maar om een beheersbare situatie. Een wolf kan prima een plaats hebben in aangewezen natuurgebieden. Maar wanneer het dier zich daarbuiten begeeft en steeds vaker de nabijheid van mensen opzoekt, moet er kunnen worden ingegrepen. Zo nodig met afschot.
Natuurlijk moet dat zorgvuldig en volgens de wet gebeuren. Maar bescherming mag nooit betekenen dat iedere andere belangenafweging bij voorbaat onmogelijk wordt gemaakt.
Het wordt tijd dat we ophouden de discussie te voeren alsof de wolf het slachtoffer is en de mens de indringer. Nederland is geen onbewoond natuurgebied. We wonen, werken en recreëren hier. Kinderen spelen buiten, ouderen wandelen en boeren houden dieren. Ook zij hebben recht op bescherming.
De wolf verdient een plek in onze natuur, maar niet ten koste van de veiligheid en bewegingsvrijheid van de inwoners.
Een roofdier blijft een roofdier. Dat erkennen is geen wolvenhaat, maar gezond verstand. En misschien moet Den Haag dat eindelijk eens begrijpen.
Ontdek meer van Jan Veenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
