In 1925 liep de spanning in de Drentse en Zuidoost-Friese veengebieden hoog op. In plaatsen als Emmen, Klazienaveen, Nieuw-Amsterdam en Emmer-Compascuum legden honderden arbeiders het werk neer. Wat begon als verzet tegen forse loonsverlagingen – soms tot wel 25 procent – groeide uit tot een massale stakingsbeweging die het hele veengebied in zijn greep kreeg.
Oorzaken van de onrust
De directe aanleiding was de aangekondigde loonsverlaging bij de werkverschaffing en in de veencampagne. Arbeiders eisten onder meer:
- Handhaving van de tarieven van 1923
- Een minimumloon van 35 cent per uur
De staking sloot aan bij eerdere acties in Friesland en Drenthe. Volgens betrokkenen was het moment gekomen om gezamenlijk op te treden tegen wat men zag als een onaanvaardbare verslechtering van de arbeidsvoorwaarden.
Het Nationaal Arbeids-Secretariaat (N.A.S.) speelde een actieve rol in de organisatie van de actie en stelde geld beschikbaar voor steun aan de stakers. Ook werd gesproken over een landelijk actiecomité, mede op initiatief van de Communistische Partij Holland.
Massabijeenkomsten en steun
In Emmer-Erfscheiderveen kwamen duizenden mensen bijeen op vergaderingen. De sfeer was strijdvaardig. Sprekers benadrukten dat de beweging sterk stond, mede doordat veenboeren en burgemeesters overleg zochten om de rust te herstellen.
Zelfs bakkers in onder meer Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheiderveen sloten zich aan bij de staking – deels uit financiële nood, deels uit solidariteit. Hierdoor ontstonden tekorten, en moesten inwoners uitwijken naar andere plaatsen om brood te kopen.
Sabotage en spanningen
De staking ging gepaard met onrustbarende incidenten:
- Turfbulten werden in brand gestoken, soms met petroleum overgoten.
- Telefoondraden werden doorgeknipt, met name op hoofdverbindingen.
- Een keerdijk van de Groote Veenpolder werd deels doorgestoken, waardoor land onder water liep.
Hoewel niet altijd duidelijk was wie verantwoordelijk was, werd gesproken over sabotage door stakers of sympathisanten. De autoriteiten reageerden met strengere maatregelen, zoals een verbod op samenscholing in sommige gemeenten en verscherpt politietoezicht.
Politieke verdeeldheid
In Nieuw-Amsterdam werd een raadsvergadering belegd om de situatie te bespreken. Een motie waarin werd gesteld dat bij de werkverschaffing een noodtoestand heerste, werd echter uitgesteld. De burgemeester sprak van een “wilde staking” en wilde de kwestie pas behandelen nadat de rust was teruggekeerd.
Een regio onder druk
De staking van 1925 laat zien hoe kwetsbaar de veenstreken waren in economisch moeilijke tijden. Afhankelijk van seizoensarbeid en werkverschaffing, betekende een loonsverlaging direct armoede voor honderden gezinnen. De combinatie van massale solidariteit, politieke bemoeienis en sabotage-incidenten maakte deze staking tot een van de meest roerige episoden in de sociale geschiedenis van Zuidoost-Drenthe.
Voor de Veenkoloniën was 1925 daarmee niet alleen een jaar van economische strijd, maar ook van maatschappelijke ontwrichting – een periode waarin arbeiders hun stem krachtig lieten horen, met gevolgen die nog lang nadreunden in plaatsen als Emmen, Klazienaveen en Nieuw-Amsterdam.

