Uit de modderpap geholpen

Nieuw-Amsterdam klaagt – 8 december 1875

Nu wederom de winter met den geeselroede der koude heerschappij voert, zoekt men het hoekje van den haard en is het niemand onwelkom het blad ter hand te nemen om van de verschijnselen des tijds kennis te nemen. Doch — zo schrijft v.H. — er dient bij het publiek niet alleen eene ontvangende, maar ook eene voortbrengende kracht te zijn. Het ware zelfzucht in superlativo om slechts te ontvangen en nimmer te geven.
En dus volgt een noodkreet uit Nieuw-Amsterdam.
De veenkolonie, groeiend in bevolking, moet volgens de schrijver worden wat zij ongetwijfeld worden kan: “eene der bloeijendste gemeenten dezer provincie.” Maar zover is zij nog — zo merkt hij ironisch op — “als de graflamp van de vuurbaak.”

Modderwegen en afgewezen subsidie
Herfst en winter betekenen in de kolonie geen leven, maar slechts een plantenbestaan. Van november tot maart verkeren de wegen periodiek in moddersloten of hobbelige massa’s — in beide toestanden geheel impassabel voor rijtuigen en nauwelijks begaanbaar voor den voetganger.

Een verzoek om subsidie voor bestrating van de weg richting Holslootsbrug werd afgewezen. De minister achtte de “algemeenheid der belangen” onvoldoende aangetoond.

De schrijver reageert fel:
“Alsof eene bevolking van p.m. 2000 menschen niet algemeen genoeg is om met 12 à 14000 gulden uit de modderpap geholpen te worden.”

Maar — zo voegt hij snerend toe — wanneer een zeker bos en dito paardenstal met tonnen gouds uit de staatskas verfraaiing eisen, dan spreekt men niet van laakbare vrijmoedigheid.

Een school zonder veiligheid
De hulpschool van Nieuw-Amsterdam noemt hij zonder aarzeling een houten loods die men hoogstens een schapenhok zou mogen heten — en zelfs dat buiten functie zou moeten treden wegens instortingsgevaar.

Bij storm zendt de onderwijzer de kinderen naar huis.
“De vijand is overal,” schrijft hij, doelend op ramen, wanden en dak die bij een val wedijveren zouden in het ontlopen van verantwoordelijkheid.

Er is geen kaart van Nederland aan de wand — eenvoudigweg omdat er geen wand is die ruimte biedt. Geen kaart der eigen provincie, waarin de jeugd vermoedelijk leven en werken zal.
Een nieuw schoolgebouw is geprojecteerd — maar op een terrein waar geen huis of hut zich bevindt. Zeventig ingezetenen tekenden een adres om wijziging te vragen.

Duisternis en honden
Van petroleumverlichting bij bruggen en vonders is geen sprake. In lange winteravonden tast men rond in angstwekkende duisternis.

Wat er wél overvloedig aanwezig is: honden.
“Geen huis, geen hut bijna zonder hond of honden.”
Men wordt blaffend nagevolgd alsof men een misdadiger ware. Een striktere inning der hondenbelasting zou volgens de schrijver niet alleen rust brengen, maar ook een aardig sommetje in de gemeentekas storten.

Geneeskundige hulp op anderhalf uur afstand
Bij ziekte moet een arts uit Emmen, Sleen of Dalen worden ontboden — een tocht van anderhalf uur over modderwegen.
Een geëxamineerde vroedvrouw ontbreekt geheel. Men is aangewezen op burenhulp. De schrijver noemt het een dure plicht van het gemeentebestuur hierin spoedig te voorzien.

Geduld is een schone zaak — maar niet eindeloos
Men leerde hem als kind: “Geduld is zulk een schoone zaak.”
Maar, zo waarschuwt hij met een Frans spreekwoord: Qui se fait agneau, mange le loup.

Men wil geen marktschreeuwers worden, maar wel spreken en schrijven waar zwijgen schade is.

De hoop is gevestigd op twee zaken: schoolbouw en straatweg.
Want — zo besluit hij met klassieke verheffing — dan zou hun blijdschap zijn als die van Aurelianus, door Jupiter naar den Olympus getroond.

Nieuw-Amsterdam, 8 december 1875.
v.H.

×
Uit het archief van Jan Veenstra
Amenities
Beste lezers, het is me wat, hè? Zelfs de meest verstokte ongelovige kan tegenwoordig niet om de kerk heen. En nee, ik ben niet bekeerd. Mijn zonden zijn weliswaar talrijk, maar mijn heiligheid is nog steeds zoekende. Toch heb ik de binnenkant van een kerk vaker gezien dan menig priester zijn rozenkrans bidt. Wat is …
Lees verder →