De toeslagenaffaire is nog altijd niet afgehandeld. Mensen wachten nog steeds op herstel, op geld en op erkenning. Er zijn onderzoeken geweest, rapporten verschenen, excuses gemaakt en beloften gedaan. En nu krijgen we dit weer. Mensen met een biculturele achternaam zouden bij fraudeonderzoeken van het UWV vaker en hogere boetes hebben gekregen. En wat zegt de minister? ‘Ik wil dat dit tot op de bodem wordt uitgezocht.’ Daar hebben we hem weer: tot op de bodem uitzoeken. Het zijn inmiddels bijna standaardwoorden geworden zodra er binnen de overheid iets grondig mis lijkt te zijn gegaan. Er komt een onderzoek, er wordt gezegd dat men de signalen serieus neemt, er volgen excuses, er komen maatregelen en daarna gaan we weer over tot de orde van de dag. Tot de volgende affaire, tot het volgende onderzoek en tot de volgende minister die zegt dat hij iets ‘onaanvaardbaar’ vindt.
Maar ondertussen zijn het wel mensen die de rekening betalen. Mensen die een boete krijgen, mensen die als fraudeur worden behandeld en mensen die zich moeten verdedigen tegen een overheid die eigenlijk aan hun kant zou moeten staan. Het UWV zegt dat op basis van de huidige analyse nog geen conclusies kunnen worden getrokken. De gebruikte gegevens en onderzoeksmethode zouden daarvoor onvoldoende geschikt zijn. Dat kan. Maar dan blijft er nog steeds een heel vervelende vraag over. Waarom zijn er überhaupt signalen? Waarom is er een interne analyse? Waarom blijkt uit berichtgeving dat mensen met een biculturele achternaam mogelijk anders zijn behandeld? En waarom stond het kenmerk ‘land van herkomst’ in een werkinstructie?
Volgens het UWV is dat kenmerk in 2020 officieel verwijderd. Het zou daarna door onzorgvuldige administratie nog zichtbaar zijn geweest. Onzorgvuldige administratie. Dat klinkt bijna onschuldig. Maar een verkeerde administratieve handeling bij het UWV kan voor een burger helemaal niet onschuldig zijn. Want wat gebeurt er wanneer zo’n kenmerk wordt gebruikt bij fraudeonderzoek? Dan gaat het niet meer over een administratieve fout. Dan gaat het over mensen, over vertrouwen, over gelijke behandeling en over de vraag of de overheid iedereen werkelijk hetzelfde behandelt.
En juist daar hadden we na de toeslagenaffaire toch iets van geleerd? Dat dachten we tenminste. De toeslagenaffaire heeft laten zien wat er gebeurt wanneer de overheid mensen gaat zien als risico’s, als dossiers, als nummers en als mogelijke fraudeurs. We hebben toen gezegd: dit nooit meer. Nooit meer discrimineren, nooit meer mensen bij voorbaat als verdacht behandelen, nooit meer systemen waarin een burger nauwelijks nog kan uitleggen wat er werkelijk aan de hand is en nooit meer een overheid die pas wakker wordt wanneer journalisten, onderzoekers of gedupeerde burgers aan de bel trekken.
En nu staat er opnieuw een minister voor de camera die zegt dat discriminatie onaanvaardbaar is. Natuurlijk is discriminatie onaanvaardbaar. Dat weet iedereen. De vraag is niet óf discriminatie onaanvaardbaar is. De vraag is hoe dit opnieuw binnen een overheidsorganisatie kan gebeuren. En daar wil ik geen algemeen antwoord op. Ik wil weten wie de werkinstructie heeft gemaakt, wie haar heeft goedgekeurd, wie ermee heeft gewerkt, hoe lang dit heeft geduurd, hoeveel dossiers ermee zijn behandeld en hoeveel mensen daardoor mogelijk zijn benadeeld.
Want we kennen het patroon inmiddels. Eerst weten we van niets. Dan zijn er signalen. Dan wordt er onderzoek gedaan. Dan blijkt dat er toch iets aan de hand is. Dan komen de excuses. Dan worden maatregelen aangekondigd. En jaren later vragen we ons af waarom niemand eerder heeft ingegrepen. Leren we het dan nooit?
Dat is misschien wel de belangrijkste vraag die na de toeslagenaffaire nog steeds boven de Nederlandse overheid hangt. Want als we na alles wat er is gebeurd nog steeds situaties krijgen waarin afkomst, naam of achtergrond mogelijk een rol speelt bij de behandeling van burgers, dan hebben we de lessen blijkbaar niet geleerd. Dan hebben we vooral geleerd hoe we achteraf moeten uitleggen dat het allemaal niet de bedoeling was. En daar heeft de burger helemaal niets aan.
Dus minister Vijlbrief: zoek het inderdaad tot op de bodem uit. Maar doe het dan ook echt. Niet alleen onderzoeken wat er is gebeurd, maar ook hoe het kon gebeuren, wie het wist, wie het had kunnen weten, wie heeft weggekeken en hoeveel mensen de gevolgen hebben ondervonden. Want ‘onaanvaardbaar’ zeggen is gemakkelijk. ‘Tot op de bodem uitzoeken’ klinkt daadkrachtig. Maar uiteindelijk telt maar één ding: dat de overheid leert van haar fouten.
En juist daar begin ik na de toeslagenaffaire steeds meer aan te twijfelen.
Leren we het dan nooit?
Ontdek meer van Jan Veenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
