Er begint iets te gebeuren in Zuidoost-Drenthe.
De burger wordt boos.
Niet omdat hij tegen alles is. Niet omdat hij geen bedrijven wil. Niet omdat er geen woningen mogen komen. En ook niet omdat iedere verandering per definitie slecht is.
De boosheid zit ergens anders.
Mensen hebben het gevoel dat er over hun hoofd heen wordt beslist.
Grote grondtransacties. Gigantische distributiehallen. Nieuwe wegen. Energieprojecten. Woningbouw. Landbouwgrond die een andere bestemming krijgt.
En steeds vaker ontstaat hetzelfde gevoel:
Wanneer mochten wij eigenlijk meepraten?
Want als de burger wordt uitgenodigd voor een informatieavond nadat de plannen al grotendeels zijn uitgedacht, is dat geen participatie.
Dat is uitleggen wat er gaat gebeuren.
Het verschil lijkt klein.
Het is het niet.
Participatie betekent dat je als inwoner daadwerkelijk invloed kunt hebben.
Een informatieavond betekent vaak dat je een stoel krijgt, een kop koffie en twintig minuten naar een PowerPoint mag kijken.
Daarna volgt:
“Heeft u nog vragen?”
Nou, die heeft de burger.
Heel veel zelfs.
Wie heeft dit bedacht?
Wie heeft dit besloten?
Wanneer is dit besloten?
Wie heeft met wie gesproken?
Welke afspraken zijn gemaakt?
En vooral:
waarom hoorden wij dit pas toen het besluit eigenlijk al in de steigers stond?
Dat zijn geen lastige vragen.
Dat zijn normale vragen in een democratie.
En wanneer daarop geen duidelijke antwoorden komen, groeit het wantrouwen.
Dan kun je als bestuurder nog honderd keer zeggen dat alles volgens de regels is verlopen.
Maar vertrouwen zit niet in een regelboek.
Vertrouwen zit in openheid.
Daarom begrijp ik de boosheid van inwoners die zeggen dat er koppen moeten rollen.
Als bestuurders bewust verkeerde informatie zouden hebben gegeven of informatie bewust hebben achtergehouden, dan moet daar politieke verantwoordelijkheid voor worden genomen.
Maar laten we eerst vaststellen wat er werkelijk is gebeurd.
Niet via geruchten.
Niet via Facebook.
Niet via politieke verdachtmakingen.
Maar via feiten.
Alle stukken op tafel.
Alle grondtransacties.
Alle afspraken.
Alle correspondentie die openbaar mag worden.
Wie wist wat?
Wanneer?
En waarom?
Daarom zou ik zeggen:
Organiseer een onafhankelijk onderzoek.
Niet door de mensen die zelf onderdeel zijn van het dossier.
Niet door een commissie die vooral moet onderzoeken waarom alles eigenlijk best goed is gegaan.
Maar door mensen die onafhankelijk naar de feiten kunnen kijken.
En daarna mag de gemeenteraad zijn verantwoordelijkheid nemen.
Blijkt dat bestuurders niets verkeerd hebben gedaan?
Prima.
Dan weten we dat ook.
Blijkt dat er fouten zijn gemaakt?
Dan moeten daar consequenties aan worden verbonden.
Blijkt dat inwoners en gemeenteraad bewust op het verkeerde been zijn gezet?
Dan is het simpel:
dan moet iemand verantwoordelijkheid nemen.
En misschien is dit ook het moment om eens serieus te praten over een referendum.
Niet over ieder fietspad.
Niet over iedere vergunning.
Maar over besluiten die de omgeving van mensen voor tientallen jaren veranderen.
Een distributiecentrum van honderdduizenden vierkante meters is geen straatlantaarn.
Een enorme energievoorziening is geen plantsoen.
Een complete nieuwe woonwijk is geen parkeerplaats.
Daar mag de bevolking iets van vinden.
En niet alleen nadat de schop al in de grond zit.
Misschien zijn bestuurders bang voor referenda.
Dat begrijp ik.
Want een referendum kan ook een uitslag opleveren die de bestuurder niet leuk vindt.
Maar dat is nu juist democratie.
Democratie is niet:
“Wij hebben een meerderheid, dus wij bepalen het.”
Democratie is ook:
“Wij hebben een meerderheid, maar we blijven luisteren naar de mensen namens wie we besturen.”
De burger is namelijk niet gek.
Hij begrijpt heel goed dat een gemeente economische ontwikkeling nodig heeft.
Hij begrijpt dat er woningen moeten komen.
Hij begrijpt dat bedrijven ruimte nodig hebben.
Maar hij wil wel weten wat de prijs is en wie die prijs betaalt.
Want als er een enorme hal naast je dorp verschijnt, verandert niet alleen de skyline.
Er komen vrachtwagens.
Meer verkeer.
Meer geluid.
Meer verhard oppervlak.
Andere druk op wegen.
Andere gevolgen voor het landschap.
En misschien verdwijnen er landbouwgronden die nooit meer terugkomen.
Dan mag je als inwoner best vragen:
“Was dit nu echt de beste keuze?”
En als het antwoord daarop al jaren geleden achter gesloten deuren is bedacht, terwijl de bevolking later mag komen luisteren, dan hebben we een probleem.
Niet met de burger.
Maar met onze democratie.
Dus mijn voorstel is simpel.
Stop met praten over vertrouwen.
Laat zien waarom we zouden moeten vertrouwen.
Open de dossiers.
Onderzoek de gronddeals.
Leg de besluitvorming bloot.
Laat onafhankelijke deskundigen kijken.
En geef de bevolking waar mogelijk daadwerkelijk een stem.
En als uit dat onderzoek blijkt dat bestuurders hun boekje te buiten zijn gegaan, moeten zij niet wachten totdat iemand anders voor hen de deur openzet.
Dan mogen ze zelf naar buiten lopen.
Want politieke verantwoordelijkheid betekent niet alleen verantwoordelijkheid nemen wanneer het goed gaat.
Het betekent vooral verantwoordelijkheid nemen wanneer het fout is gegaan.
En misschien is dat wel de belangrijkste boodschap die vanuit Zuidoost-Drenthe naar het gemeentebestuur, de provincie en uiteindelijk Den Haag moet gaan:
Wij zijn niet tegen ontwikkeling.
Wij zijn tegen ontwikkeling over onze hoofden heen.
En wie daar niet naar wil luisteren, moet niet verbaasd zijn wanneer de burger uiteindelijk zelf de deur opendoet.
Want de onderste steen moet boven.
Alleen dan kan het vertrouwen terugkomen.
Ontdek meer van Jan Veenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
