Goedenavond, welkom op onze website!

Veel vmbo’ers in Coevorden, maar daarmee zijn de vakmensen nog niet binnen

Het klinkt bijna als goed nieuws uit Coevorden. Van alle leerlingen in de bovenbouw volgt inmiddels 67 procent het vmbo. Tien jaar geleden was dat 58 procent. Kijk eens aan: Coevorden levert straks dus de vakmensen waar Nederland zo dringend om zit te springen.

Maar zo simpel is het natuurlijk niet.

Want wie goed naar de cijfers kijkt, ziet een ander verhaal. Een verhaal dat wat minder gemakkelijk in een vrolijke krantenkop past.

Dat veel jongeren in Coevorden voor het vmbo kiezen, is op zichzelf helemaal niet verkeerd. Integendeel. Een samenleving kan niet zonder mensen die met hun handen kunnen werken. We kunnen nu eenmaal niet allemaal beleidsadviseur, communicatiemanager of data-analist worden. Iemand moet huizen bouwen, installaties aanleggen, machines onderhouden, kinderen verzorgen, ouderen helpen en bedrijven draaiende houden.

Daar mogen we best weer wat meer waardering voor hebben.

Maar hier begint de verwarring.

67 procent is een percentage, geen aantal.

Het aantal middelbare scholieren in de gemeente is de afgelopen jaren namelijk fors afgenomen. Als een kleiner wordende groep leerlingen voor een groter percentage uit vmbo’ers bestaat, betekent dat niet automatisch dat er ook méér toekomstige vakmensen bijkomen.

Het is een beetje alsof je zegt dat een taart groter is geworden omdat een groter stuk ervan voor iemand bestemd is, terwijl de taart zelf kleiner is geworden.

Daar komt nog iets bij. Een vmbo-leerling is nog geen vakman of vakvrouw. Na het vmbo volgt vaak het mbo. Daarna kan iemand doorleren, naar een andere regio vertrekken, een andere richting kiezen of uiteindelijk buiten Coevorden gaan werken.

En juist dát is de vraag die in het verhaal onderbelicht blijft:

blijven de jongeren die we hier opleiden ook hier?

Want daar zit de echte uitdaging voor Coevorden en voor heel Zuidoost-Drenthe.

We hebben straks niet alleen mensen nodig met een opleiding. We hebben mensen nodig die hier daadwerkelijk wonen én werken.

Tegelijkertijd zien we dat het opleidingsniveau van de bevolking stijgt. Het aandeel inwoners met een hbo- of universitaire opleiding is in tien jaar toegenomen. Dat is op zichzelf een positieve ontwikkeling. Maar het betekent ook dat de oude verhouding tussen praktisch en theoretisch opgeleiden langzaam verandert.

En ondertussen vergrijst de bevolking.

Dat laatste is misschien wel het belangrijkste cijfer van allemaal. Een groot deel van de toekomstige vraag naar werknemers ontstaat niet eens doordat bedrijven massaal uitbreiden, maar doordat mensen met pensioen gaan en vervangen moeten worden.

Daarmee wordt het probleem een stuk ingewikkelder dan de vraag hoeveel kinderen een vmbo-advies krijgen.

Want stel dat we hier voldoende jongeren opleiden voor techniek, bouw, zorg en andere praktische beroepen. Als die jongeren vervolgens naar Groningen, Zwolle, Assen of elders vertrekken omdat daar betere banen, hogere salarissen of meer mogelijkheden zijn, hebben we ze wel opgeleid, maar niet voor onze eigen arbeidsmarkt behouden.

Dan kun je trots vertellen dat 67 procent van de leerlingen vmbo doet.

Maar ondertussen staat de werkgever te wachten.

Dat is geen kritiek op het vmbo. Het is juist een pleidooi om het vmbo en mbo veel serieuzer te nemen.

Jarenlang hebben we kinderen en ouders soms de indruk gegeven dat een theoretische opleiding de koninklijke weg is en dat werken met je handen vooral iets is voor wie niet beter kan. Inmiddels komen we erachter dat de werkelijkheid precies andersom kan uitpakken.

Een samenleving zonder vakmensen loopt vast.

Een samenleving zonder loodgieter merkt dat zodra de kraan lekt.

Een samenleving zonder elektricien merkt het zodra de stroom uitvalt.

Een samenleving zonder bouwvakker merkt het zodra er woningen moeten worden gebouwd.

En een samenleving zonder zorgmedewerkers merkt het pas echt wanneer niemand meer aan het bed staat.

Daarom moeten we niet alleen kijken naar het percentage vmbo-leerlingen.

We moeten kijken naar de hele keten:

opleiding → stage → baan → inkomen → woning → blijven wonen → werken in de regio.

Daar zit de toekomst van Coevorden.

Het AD heeft dus gelijk dat het hoge aandeel vmbo-leerlingen een interessant gegeven is. Maar het is geen reden om achterover te leunen.

Want de werkelijkheid is weerbarstiger.

We hebben niet alleen meer vakmensen nodig. We moeten er ook voor zorgen dat jongeren een reden hebben om hier vakmens te worden én hier te blijven.

En dat betekent dat de discussie niet bij de schooldeur mag ophouden.

Want een vmbo’er is pas een antwoord op de arbeidsmarkt als hij of zij uiteindelijk ook een baan vindt die past bij de opleiding, daarvoor een fatsoenlijk inkomen krijgt en in onze regio een toekomst kan opbouwen.

Pas dán hebben we werkelijk iets bereikt.

Niet wanneer we 67 procent op papier hebben, maar wanneer de timmerman, installateur, verpleegkundige, chauffeur en monteur morgen gewoon beschikbaar zijn.


Ontdek meer van Jan Veenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie

×
Uit het archief van Jan Veenstra
Stikstofbeleid: wordt er een eerlijke voorstelling van zaken gegeven?
Goedenavond, welkom op onze website! De kritiek dat de overheid een te eenvoudige of eenzijdige voorstelling van zaken geeft bij het nieuwe stikstofbeleid, raakt een gevoelig punt in het debat. De kernvraag is: worden alle bronnen van stikstofuitstoot op dezelfde manier behandeld, of komt de nadruk vooral op de landbouw te liggen? Bij de nieuwe …
Lees verder →

Ontdek meer van Jan Veenstra

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder