Een lesauto.
Een witte bestelbus.
Een paar meter asfalt ergens net over de grens, bij Gronau.
Meer is er niet nodig.
De bus zit er bovenop. Drukt. Dwingt. Wacht niet. Een gaatje is genoeg. Afsnijden. Vol op de rem. De leerling schrikt, de instructeur grijpt in, en wat een oefenrit had moeten zijn, verandert in een les die nergens in het lesboek staat: zo ziet agressie eruit.
De bestuurder stapt uit.
Niet om te helpen.
Maar om verhaal te halen.
En ergens, een paar auto’s verder, zegt iemand hardop wat we allemaal denken: “Wat een aso.”
We kijken ernaar, delen het, veroordelen het. De man wordt ontslagen. Zaak afgedaan. Incident afgesloten.
Maar dat is de vergissing.
Want dit is geen uitzondering. Dit is herkenning.
Iedereen die regelmatig rijdt, heeft zijn eigen versie van dit verhaal. In Nederland, in Duitsland—het decor wisselt, het gedrag niet.
Het begint klein.
Een zucht.
Een tikje op het gas.
Iets te dicht op de bumper.
En ergens onderweg verandert irritatie in overtuiging: ik heb gelijk. Dat is het moment waarop de weg kantelt. Waar een gedeelde ruimte verandert in een strijdtoneel.
De lesauto is dan het perfecte mikpunt.
Te langzaam. Te voorzichtig. Te zichtbaar.
Maar misschien is het juist de spiegel die we niet willen zien. Want achter dat stuur zit iemand die nog leert. Die fouten mág maken. Zoals wij dat ooit ook deden. Alleen lijken we dat collectief vergeten.
In plaats van ruimte te geven, eisen we die op.
In plaats van geduld, kiezen we voor druk.
Alsof iedere seconde telt. Alsof verliezen onacceptabel is.
Tot iemand op de rem trapt.
We noemen het verkeersagressie, maar dat klinkt nog bijna klinisch. Alsof het een losstaand probleem is. Terwijl het in werkelijkheid iets zegt over hoe we met elkaar omgaan zodra we elkaar niet meer aankijken.
In een auto ben je anoniem. Afgesloten. Onaantastbaar, zo lijkt het. Totdat iemand uitstapt en de illusie verdwijnt.
En dan staan daar twee mensen. Geen voertuigen. Geen posities. Gewoon mensen, midden op de weg, met een conflict dat nooit had hoeven ontstaan.
De vraag is niet waarom die ene bestuurder zo reageert.
De vraag is waarom we het blijven herkennen.
Waarom het zo makkelijk is geworden om door te duwen.
Waarom geduld voelt als verlies.
Waarom we blijven doen alsof het normaal is.
De weg is geen slagveld.
Maar we gedragen ons er wel naar.
Misschien zit de oplossing niet in harder straffen of meer regels—al helpt dat. Misschien begint het eerder, kleiner, ongemakkelijker: bij het moment dat je zelf voelt dat de irritatie opkomt.
Dat je denkt: schiet op.
En het niet doet.
Want daar, in die paar seconden, wordt bepaald of het weer een incident wordt.
Of gewoon een rit.
Ontdek meer van Jan Veenstra Schrijver
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
