Hoofdstuk 1 — Drie tikken in de nacht

Goedenavond, welkom op onze website!

Harmen Harmers hield zijn adem in. Hij zat gehurkt bij het haardvuur, zijn vingers om het heft van zijn mes geklemd. Achter hem stonden de koeien dicht tegen elkaar aan. Een van de dieren snoof luid en stampte met een achterpoot op de lemen vloer. De oude herder Berend zat aan de andere kant van het vuur. Zijn gezicht was nauwelijks zichtbaar in het flakkerende licht. ‘Heb jij dat ook gehoord?’ fluisterde Harmen. Berend antwoordde niet meteen. Hij keek naar de lage deur van de Boo, alsof hij verwachtte dat die ieder ogenblik open zou gaan. ‘Ik ben niet doof,’ zei hij uiteindelijk. Harmen slikte. ‘Er staat iemand buiten.’ ‘Dat zal best.’ ‘Hij heeft mijn naam genoemd.’ Nu keek Berend hem aan. ‘Misschien weet iemand eindelijk hoe je heet.’ Onder andere omstandigheden zou Harmen daar misschien om gelachen hebben. Nu voelde hij alleen de koude rilling die vanuit zijn nek langs zijn rug trok. Buiten streek de wind door het riet. Het dak kraakte. Een losse tak schuurde langs de houten wand. Toch was Harmen ervan overtuigd dat hij zojuist een stem had gehoord. Zijn eigen naam, langzaam uitgesproken, alsof de spreker hem van verre had geroepen. ‘Ik ga kijken,’ zei Berend. ‘Niet doen!’ De woorden waren eruit voordat Harmen ze kon tegenhouden. Berend trok één wenkbrauw op. ‘Ben je bang, Harmen?’ ‘Ik ben niet gek. Je weet niet wie daar staat.’ ‘En jij wel?’ Harmen zweeg. De oude herder stond op, pakte een brandende tak uit het vuur en liep naar de deur. Hij bewoog langzaam, met de bedachtzaamheid van iemand die zijn hele leven tussen vee en weer had doorgebracht. Bij de deur bleef hij staan. Hij luisterde. Toen deed hij de grendel van het hout. De deur ging met een kreun open. Buiten lag het veld onder een bleke maan. De beek glinsterde tussen de donkere oevers. Verderop stonden de elzen als zwarte pilaren tegen de hemel. Er was niemand. Berend stak de brandende tak naar buiten. ‘Wie daar is, kan zich laten zien!’ riep hij. Alleen de wind antwoordde. Hij sloot de deur weer, schoof de grendel ervoor en draaide zich om. ‘Niets gezien,’ zei hij. Harmen keek naar de vloer. ‘Ik heb het gehoord.’ ‘Dat geloof ik.’ ‘Je gelooft me?’ ‘Ik geloof dat jij iets gehoord hebt. Of het was wat jij denkt dat het was, is een andere zaak.’ Berend ging weer bij het vuur zitten. Harmen probeerde zijn ademhaling onder controle te krijgen. Hij was een man die overdag zonder aarzelen een donker bos in liep, die met blote handen een gevangen vos uit een strik durfde te halen en die zelfs bij hoog water zijn weg door het moeras vond. Maar de nacht was anders. In de nacht kon een omgevallen boom een reus zijn en kon een rietpluim veranderen in een gestalte die hem met starende ogen volgde. De mensen in de omgeving vertelden verhalen over witte vrouwen die bij het water verschenen, over dwaallichten boven het veen en over doden die geen rust konden vinden. Harmen beweerde altijd dat hij daar niet in geloofde. Hij had genoeg verstand om te weten dat de meeste verhalen ontstonden wanneer mensen te veel bier dronken en te weinig te doen hadden. Toch liet hij de deur nooit openstaan.

Die nacht sliep hij nauwelijks. Telkens wanneer hij zijn ogen sloot, hoorde hij de drie tikken opnieuw. Tegen de ochtend, toen de eerste grijze schemering door de kieren van de Boo drong, stond hij op. De koeien begonnen te bewegen. Berend lag nog onder zijn wollen deken, met zijn rug naar het vuur. Harmen nam zijn mes, trok zijn jas aan en stapte naar buiten. De lucht was koud en vochtig. Over het gras hing dauw. Hij liep naar de plek waar de grond voor de deur overging in een smalle strook zandige aarde. Daar bleef hij staan. In de zachte grond stonden voetafdrukken. Niet van Berend. Niet van hemzelf. Het waren de afdrukken van zware laarzen, met een duidelijke hak en een patroon dat hij niet kende. Ze kwamen uit de richting van het water, liepen tot vlak voor de deur van de Boo en verdwenen vervolgens weer in het gras. Harmen hurkte neer. Hij legde zijn vingers naast een afdruk en bekeek de diepte ervan. De bezoeker was zwaar geweest, of had hard op de grond gestaan. Hij zocht naar een tweede spoor, naar een afdruk die hem zou vertellen welke kant de man op was gegaan. Niets. De voetstappen hielden op alsof de man van de aarde was verdwenen. Harmen voelde zijn hart sneller slaan. Toen zag hij iets anders. Aan de houten deur zat, precies op de plaats waar hij de drie tikken had gehoord, een kleine donkere vlek. Hij streek er met zijn vinger langs. Het was nat. Hij bracht zijn hand dichter bij zijn gezicht. Bloed. Hij keek naar het veld, naar de beek en naar de rij elzen aan de overkant. De zon was nog niet op, maar het licht nam toe. Alles zag er onschuldig uit. Het gras, het water, de bomen. De wereld leek niet te weten wat er in de nacht was gebeurd. Harmen stond op en veegde zijn vingers af aan zijn broek. ‘Wat heb je daar?’ vroeg Berend achter hem. Harmen schrok zo hevig dat hij bijna zijn mes trok. De herder stond in de deuropening en keek naar de vlek op het hout. Hij zei niets meer. Zijn gezicht was veranderd. ‘Dat is geen bloed van een dier,’ zei Harmen. Berend knikte langzaam. ‘Nee.’ ‘Wie is hier geweest?’ De oude man keek naar het oosten, in de richting van Twist en de Duitse grens. ‘Dat,’ zei hij, ‘is precies wat ik niet wil weten.’

Wordt vervolgd.

Terug naar Streekverhalen

×
Uit het archief van Jan Veenstra
Je mag het zeggen. Soms zelfs te veel.
Goedenavond, welkom op onze website! Wij Nederlanders hebben een merkwaardige eigenschap. We klagen. We klagen over de regering, over de oppositie, over de gemeente, over Brussel, over boeren, over automobilisten, over fietsers en soms zelfs over het weer. En als er een onderwerp is waarover we nog niet hebben geklaagd, dan vinden we daar meestal …
Lees verder →