Er was een tijd dat je na een vakantie in het buitenland de grens weer overstak en dacht: wat hebben we het thuis toch goed voor elkaar. Een goed georganiseerde gezondheidszorg, betrouwbare voorzieningen, bereikbare winkels, goed openbaar vervoer en een overheid waarvan je mocht verwachten dat die er in de eerste plaats voor haar eigen inwoners was.
Dat gevoel lijkt steeds verder weg te zakken.
Nederland was ooit een land dat aanzien had. Een land dat ergens voor stond en op veel gebieden als voorbeeld werd gezien. Maar langzaam lijkt dat beeld af te brokkelen. Niet van de ene op de andere dag, maar stukje bij beetje.
Neem de gezondheidszorg. Als je medicijnen nodig hebt, zou je toch mogen verwachten dat die gewoon beschikbaar zijn. Toch is het inmiddels voor sommige patiënten helemaal niet vanzelfsprekend dat een voorgeschreven medicijn direct geleverd kan worden. Je belt de apotheek, krijgt te horen dat het middel niet beschikbaar is en vervolgens begint de zoektocht: een andere apotheek, een ander merk of wachten tot het weer geleverd wordt.
En ondertussen horen we voortdurend dat er personeelstekorten zijn, dat voorzieningen verdwijnen en dat de zorg onder druk staat.
Kijk naar de grensregio’s. Daar wordt inmiddels gewaarschuwd voor het ontstaan van spookdorpen. Winkels verdwijnen, voorzieningen verdwijnen en steeds meer mensen steken de grens over voor boodschappen, brandstof en andere aankopen. Niet omdat Nederlanders hun eigen land niet meer waarderen, maar omdat het prijsverschil hen ertoe dwingt of daartoe uitnodigt.
En daar zit misschien wel de grootste paradox.
De overheid wil dat Nederlanders duurzamer leven, lokaal kopen, minder reizen en de eigen economie ondersteunen. Maar tegelijkertijd wordt het beleid soms zo vormgegeven dat de Nederlander juist over de grens wordt gestuurd.
Daar staat de supermarkt in Duitsland. Daar tanken we goedkoper. Daar kopen we producten die hier duurder zijn. En iedere keer dat iemand de grens overgaat, blijft een deel van zijn euro niet in Nederland.
Daar kunnen we vervolgens weer een onderzoek naar laten doen.
Maar het probleem zit dieper.
Als voorzieningen verdwijnen, mensen langer moeten reizen voor een huisarts, een ziekenhuis of een winkel en dorpen langzaam leeglopen, ontstaat er iets wat je niet in een spreadsheet ziet: het gevoel dat je eigen omgeving er steeds minder toe doet.
Vooral buiten de Randstad is dat merkbaar.
Daar wordt gesproken over bereikbaarheid, woningbouw, openbaar vervoer en leefbaarheid alsof het abstracte beleidsdossiers zijn. Maar voor de inwoner van een dorp betekent het gewoon: waar kan ik morgen mijn boodschappen doen? Hoe kom ik bij de dokter? Waar haal ik mijn medicijnen? En hoe kom ik zonder auto nog ergens?
En ondertussen lijkt de Nederlandse overheid steeds vaker verbaasd te zijn wanneer mensen hun heil over de grens zoeken.
Maar wie jarenlang aan de ene kant van de grens het leven duurder maakt en aan de andere kant van de grens een goedkoper alternatief ziet, moet niet verbaasd zijn wanneer mensen hun portemonnee laten spreken.
Nederland verpaupert niet omdat Nederlanders opeens geen Nederlander meer willen zijn.
Nederland verpaupert wanneer voorzieningen verdwijnen, vertrouwen afneemt en mensen het gevoel krijgen dat beleid over hen wordt uitgestort in plaats van met hen wordt gemaakt.
Misschien moeten we daarom eens stoppen met de vraag waarom Nederlanders naar Duitsland gaan.
De betere vraag is:
Waarom maken we het in Nederland steeds aantrekkelijker om weg te gaan?
Want een land wordt niet sterk door mooie beleidsnota’s uit Den Haag.
Een land wordt sterk wanneer de mensen die er wonen het gevoel hebben dat het hún land is.
En dat gevoel dreigen we kwijt te raken.
Ontdek meer van Jan Veenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
