Het is een opvallend beeld uit Brussel. De Europese industrie krijgt meer tijd om te verduurzamen. Er komen honderden miljarden beschikbaar om bedrijven concurrerend te houden. Want, zegt Eurocommissaris Wopke Hoekstra, Europese bedrijven hebben last van hoge energieprijzen, veel regels en oneerlijke concurrentie uit landen als China.
Dat klinkt logisch. Je wilt immers niet dat fabrieken vertrekken en de uitstoot simpelweg verhuist naar de andere kant van de wereld.
Maar ondertussen kijkt de Nederlandse boer toe.
Die hoort al jaren dat hij moet inkrimpen, uitkopen of stoppen. Dat de natuur geen uitstel duldt. Dat de regels nu eenmaal zo zijn. Voor de landbouw lijkt de ruimte om te wachten of te investeren een stuk kleiner.
Daar wringt het. Niet omdat de industrie geen steun verdient, maar omdat gelijke gevallen kennelijk niet gelijk worden behandeld. Als de economie vraagt om realisme, geldt dat dan alleen voor staal, chemie en havens? Of ook voor de familiebedrijven die al generaties lang ons voedsel produceren?
Misschien is het tijd voor één uitgangspunt dat voor iedereen geldt: verduurzamen waar het kan, investeren waar het nodig is en voorkomen dat productie simpelweg naar het buitenland verdwijnt.
Want een Europa dat zijn industrie beschermt maar zijn boeren verliest, zal uiteindelijk zowel zijn voedsel als zijn producten van elders moeten halen. En het klimaat schiet daar weinig mee op.
Ontdek meer van Jan Veenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
