Er zijn van die momenten waarop taal meer onthult dan bedoeld. Niet door wat er gezegd wordt, maar door wat er tussen de regels doorsijpelt. Het interview over de vernieuwde binnenstad van Coevorden is daar een voorbeeld van.
Programmamanager Gert van der Kooi schetst een beeld van een stad die klaar is voor de toekomst: vergroening, water, beleving, toerisme. Coevorden als decor voor “heel veel gasten”, een stad die haar geschiedenis eindelijk goed vertelt. Op zichzelf een ambitie waar weinig mis mee is.
Totdat de toon ineens kantelt.
“Terwijl de kinderen zonder historisch benul verder spelen,” zegt Van der Kooi, terwijl hij de vernieuwde binnenstad toelicht. Een terloopse zin misschien, maar wel één die blijft hangen. Want wie precies bedoelt hij daarmee? De spelende kinderen op de markt? De jeugd uit Coevorden en omgeving? En vooral: op basis waarvan wordt zo’n oordeel uitgesproken?
Het is een generalisatie die schuurt. Niet omdat er geen discussie mag zijn over historisch besef, maar omdat het impliciet een hele generatie in een hoek zet. Terwijl juist in gemeenten als Coevorden scholen, verenigingen en lokale initiatieven al jaren werken aan geschiedenis, erfgoed en identiteit. Van klassikale projecten tot lokale herdenkingen: historisch bewustzijn ontstaat niet toevallig, het wordt actief opgebouwd.
Nog opvallender is hoe soepel die stevige uitspraak overgaat in bestuurlijke zachtheid zodra het over kritiek gaat. De brandbrief van de Coevorder Handelsvereniging wordt “een mooi signaal richting de coalitievorming”. En verder: “We moeten echt samen kijken hoe we dit oppakken.”
Dat is ambtelijke taal op zijn best — of op zijn meest ontwijkende, afhankelijk van hoe je het bekijkt. Want wat betekent het concreet? Wanneer wordt er iets besloten? Wat verandert er daadwerkelijk voor ondernemers die zich zorgen maken over bereikbaarheid en parkeren?
De combinatie van die twee elementen zegt veel: streng in het oordeel over gedrag of beleving van inwoners, maar voorzichtig en vaag zodra er verantwoordelijkheid of actie wordt gevraagd.
En zo ontstaat een ongemakkelijke scheefgroei. De stad wordt met veel visie en verbeeldingskracht neergezet als toekomstbestendig en gastvrij, maar de mensen die er dagelijks wonen, werken en spelen worden enerzijds beschreven als onderdeel van het decor, en anderzijds aangesproken in termen van wat ze zouden missen aan bewustzijn.
Een stad is inderdaad nooit af, zoals Van der Kooi terecht zegt. Maar dat geldt ook voor het gesprek over die stad. Dat gesprek vraagt meer dan beelden en ambities. Het vraagt ook precisie in taal, en zorgvuldigheid in oordeel over de mensen die die stad elke dag vormgeven.
Want een stad zonder historisch benul bestaat niet snel. Maar een bestuurlijke taal zonder scherpte in verantwoordelijkheid, die komt helaas een stuk vaker voor.
Ontdek meer van Jan Veenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
