Water boven het hoofd – Coevorden 1832
De lucht boven Coevorden was grauw en zwaar van belofte. Al weken had het geregend. Op de akkers van boer Rikkers stond het water kniehoog tussen de aardappelruggen. Het was het derde jaar op rij dat de oogst werd bedreigd. Hij veegde zijn klamme handen af aan zijn linnen broek en keek richting de stadsmuur. Achter die wallen zaten de heren van het stadsbestuur, in droge kamers vol kaarten en plannen. Maar de modder aan zijn laarzen, die kenden ze niet.
Sinds de rampzomer van 1829, toen de Kleine Vecht buiten haar oevers trad en halve dorpen veranderde in moerassen, werd er gesproken over een oplossing. De koning zelf had zich ermee bemoeid, zo werd gefluisterd op de markt. In audiëntie hadden ze gelegen, de bestuurders van Coevorden. En niet voor niets: het water bedreigde niet alleen hun welvaart, maar ook de grens met Hannover – en daarmee de eer van het Koninkrijk.
In 1832 was het zover: een ingenieus plan werd gepresenteerd. Er zou een kanaal worden gegraven, recht naar de grachten van Coevorden. Een sluis met schotbalken zou het water beteugelen als een getemde rivier. De Kleine Vecht zou worden afgedamd, en bij de Hultenboer moest een gronddam komen, gereed voor tijden van oorlog, wanneer men het land moedwillig onder water zette om de vijand te weren.
Het klonk groots en modern. Maar op het platteland fronste men de wenkbrauwen. “Vijfenvijftigduizend gulden?” vroeg boer Rikkers aan de veldwachter, “Dat is geen geld, dat is een vloek.” En al snel kwamen de bezwaren. Overijssel morde: de Vecht was hun zorg. De Genie, militairen die over inundaties gingen, zag niets in een kanaal dwars door hun oefenterrein. En Coevorden zelf, arm van natte oogsten, kon de bijdrage amper opbrengen.
Uiteindelijk viel men terug op eenvoud: het Fort Verlaat, een oude sluis, moest worden verbeterd. Maar ook dat bleek ontoereikend. In 1837, uit arren moede, bouwde de stad een oud hulpverlaat opnieuw op. Het hielp, zo schreven de heren aan de provincie. De stad ademde even opgelucht.
Totdat de hemel zich opnieuw opende, in 1840 en 1841. Regen, regen en nog eens regen. Nu kwamen zelfs boeren uit Hannover klagen over natte akkers op Nederlands grondgebied. En weer werden de plannen afgestoft. Nu met een sluis bij de Hultenboer, die bij oorlog de waterstand kon sturen. Zevenenzestigduizend gulden zou het kosten, waarvan twintigduizend uit de provinciekas, negenduizend van Coevorden zelf.
Maar Overijssel weigerde mee te doen, tenzij het rijk de hele Vecht wilde aanpakken. En het rijk – zweeg.
Zo eindigde het plan waar het begon: in overleg, in onmin en in natte voeten.
Nawoord:
Dit verhaal is gebaseerd op ware gebeurtenissen. Het toont hoe moeilijk het was – en soms nog steeds is – om bij grensoverschrijdende problemen als waterbeheer tot samenwerking te komen. Het werpt een licht op de bestuurlijke stroperigheid van de 19e eeuw en de afhankelijkheid van weersomstandigheden. Tegelijk toont het verhaal ook de veerkracht van lokale bestuurders én boeren, die soms zelf de regie in handen namen.

