Iemand vroeg mij laatst waarom ik zo sceptisch naar de wereld kijk.
Ik moest er even over nadenken, want ik herken mij niet in dat woord. Sceptisch klinkt alsof je je armen over elkaar slaat en alles wantrouwt. Dat doe ik niet. Ik kijk juist graag open. Alleen: ik geloof niet meteen.
Misschien is het daar misgegaan. Of begonnen.
Sinds mijn ouders mij ooit vertelden dat Sinterklaas niet bestaat, is er iets verschoven. Niet in mijn vertrouwen in mensen, maar in mijn verhouding tot verhalen. Ik ontdekte dat iets waar je heilig in kunt geloven, ook liefdevol verzonnen kan zijn. Dat een verhaal tegelijk warm én onwaar kan zijn.
Sindsdien stel ik mezelf, bijna automatisch, drie vragen wanneer mij iets wordt verteld. Wie vertelt mij dit? Waarom vertel je mij dit? En wat is jouw belang hierbij?
Dat klinkt achterdochtig, maar zo voelt het niet. Het is eerder een vorm van oplettendheid. Alsof je niet meteen gaat rennen wanneer iemand “brand!” roept, maar eerst kijkt waar de rook vandaan komt.
We leven in een tijd waarin veel wordt verteld. Met grote woorden, harde zekerheden en snelle verontwaardiging. Iedereen heeft een verhaal, en steeds vaker ook een agenda. Dan is het geen luxe om even stil te staan, maar noodzaak.
Open kijken betekent voor mij niet alles binnenlaten. Het betekent ruimte laten voor twijfel. Voor nuance. Voor de mogelijkheid dat iets anders zit dan het wordt gepresenteerd.
Als dat sceptisch heet, dan is dat maar zo.
Ik noem het liever: wakker gebleven sinds Sinterklaas.
