Het oerbrein en de schutting

We hebben allemaal een stukje grond dat van ons is. Misschien een tuin, een balkon, een eigen hoekje in een park. En wat doen we? We omheinen het. Grote hekken, stevige schuttingen. Een bordje “eigen terrein”. Alsof het anders zomaar opgegeten wordt door de wereld.

Dat stukje grond zit dieper dan het beton van de stoep of het hout van de schutting. Eeuwen geleden, toen we nog jaagden en verzamelden, wie een veilige plek had, overleefde. Ons brein herinnert zich dat instinct. Grond is veiligheid, bezit is bestaansrecht, en wie het aanraakt, bedreigt niet alleen ons comfort, maar onze kern.

En zo groeit een klein stukje tuinobsessie uit tot… landjepik. Eerst de buurman die een stukje gras wil opsnoepen, later het land waar oorlogen om worden gevoerd. De grens op de kaart is niets anders dan een gigantische schutting, een bakens van angst: hier durf ik de ander toe te laten, hier stopt de wereld.

Kijk naar Trump, Poetin of Xi Jinping. Hun spel van macht en expansie is niets anders dan de logica van ons oerbrein op wereldschaal. Een land annexeren, een grens onder druk zetten, een invloedssfeer claimen – het is alsof ze zeggen: “Hier ben ik veilig. Dit is van mij. Jij mag hier niet binnenkomen.” Alleen gaat het niet meer over een tuin, maar over continenten.

Misschien zit het in ons DNA. Niet als noodlot, maar als echo van eeuwen van schaarste, van angst om te verdwijnen. En zolang we die echo niet erkennen, blijft landjepik zich herhalen, van de voortuin tot de wereldkaart.

Misschien moeten we onze schuttingen eens durven afbreken. Niet omdat de ander ons niets wil afpakken, maar omdat we het eindelijk durven delen. Want wat ooit oerinstinct was, kan ook een keuze worden: durf ik de wereld toe te laten?