Uit betrouwbare bron (namelijk: vertrouw mij nou maar)

Ik krijg altijd een lichte jeuk als iemand begint met: “Ik heb dit uit betrouwbare bron.”
Dat is zelden een opening van een goed gesprek. Het is eerder het verbale equivalent van iemand die te dicht bij je komt staan en fluistert: “Blijf even luisteren, dit is belangrijk.” Nee. Dat is het meestal niet.

Want die betrouwbare bron blijkt zelden een naam te hebben. Geen boek, geen onderzoek, geen deskundige met een fatsoenlijk cv. Nee, het is vaak “iemand die iemand kent”, “een vriend die er verstand van heeft” of – mijn favoriet – “dat mag ik eigenlijk niet zeggen”. Als het niet gezegd mag worden, waarom hoor ik het dan toch? En waarom jij zo nodig?

Het gesprek verloopt altijd volgens hetzelfde script. Je stelt een vraag – heel redelijk – zoals: “Waar komt die informatie vandaan?” En dan volgt er geen antwoord, maar een geïrriteerde zucht. Alsof kritisch nadenken onbeleefd is geworden. Alsof twijfelen een karakterfout is.

Op dat moment weet je: dit gaat niet over informatie, dit gaat over bekering. Dit is geen gesprek, dit is Jehova-gedrag zonder tijdschrift. De boodschap moet eruit, jij bent het kanaal, en kritisch denken is vooral lastig.

Wat mij vooral fascineert: waarom móét ik dit weten? Is mijn leven onvolledig zonder deze onthulling? Gaat mijn wereldbeeld instorten als ik niet per direct overtuigd raak? Of is het gewoon zo dat sommige mensen niet kunnen verdragen dat een ander rustig denkt: laat maar, ik zoek het zelf wel uit?

En dat is precies het punt.
Als ik iets wil weten, vraag ik erom.
Als ik iets wil geloven, lees ik meerdere bronnen.
En als ik iemand hoor zeggen “je moet dit echt even aannemen van mij”, dan weet ik genoeg.

Echte kennis kan tegen vragen.
Echte waarheid hoeft niet te duwen.
En wie begint met “uit betrouwbare bron” zonder bron, vraagt eigenlijk maar één ding:

Niet om aandacht.
Maar om geloof.

En daar kriebel ik dus van.