Telkens als Donald Trump spreekt, hoor ik Boudewijn de Groot. De eenzame fietser. Niet vanwege de romantiek, maar vanwege die ene genadeloze regel: “Maar liever dat nog dan een bord voor z’n kop van een zakenman.” Het is alsof het lied zestig jaar geleden speciaal is geschreven voor een man die de wereld behandelt als een vastgoedportefeuille.
Trump praat niet, hij dicteert. Over landen alsof het achterstallige huurders zijn. Over bondgenoten alsof ze hun contributie niet hebben betaald. Over macht alsof het een persoonlijke eigenschap is, iets wat je kunt afdwingen door harder te praten dan de rest. Diplomatie wordt bij hem gezien als zwakte, nuance als tijdverlies.
Het beangstigende is niet dat hij roept. Het beangstigende is hoe achteloos hij spreekt over het opleggen van zijn wil. Grenzen, soevereiniteit, internationale afspraken — het zijn voor hem details, kleine lettertjes onder een groot contract dat alleen hij denkt te mogen ondertekenen. Alsof de wereld een bord is waarop hij schaak speelt, zonder zich af te vragen wat er gebeurt als hij het bord omgooit.
Trump is geen raadsel en geen verrassing. Hij is een patroon. Een lopende tijdbom waarvan we allang weten hoe hij in elkaar zit. De enige onzekerheid is wanneer hij ontploft en wie er onder het puin terechtkomt. Dat kan economisch zijn, diplomatiek, of — en dat is het angstaanjagende — letterlijk.
En ondertussen applaudisseert een deel van het publiek. Omdat hij “zegt waar het op staat”. Alsof volume gelijkstaat aan waarheid. Alsof kracht hetzelfde is als leiderschap. Maar wie alleen nog kan overheersen, is al lang het vermogen kwijtgeraakt om te leiden.
Boudewijn had gelijk. Geef mij maar die eenzame fietser, zwalkend tegen de wind in. Die kan vallen, ja. Maar hij blaast tenminste niet de wereld op.
