Er is sneeuw gevallen. Geen poolnacht, geen elfstedentocht, geen barre Siberische winter. Nee, gewoon een paar dagen winterweer. En toch ligt Nederland weer op zijn rug, spartelend als een kever die net is omgedraaid.
Treinen vallen uit, wegen slibben dicht, scholen sluiten, afspraken worden afgezegd en het land zucht collectief: “Dit had niemand kunnen voorzien.”
Behalve dan iedereen met een weerapp, een geheugen langer dan drie winters en een beetje gezond verstand.
Het probleem is niet de sneeuw. Het probleem is dat Nederland structureel slecht is voorbereid op alles wat ook maar ruikt naar een calamiteit. We maken afspraken, stellen protocollen op, tekenen beleidsstukken vol goede bedoelingen – en trekken daarna opgelucht de handen ervan af. Afgesproken? Mooi. Volgende agendapunt.
Handhaving? Controle? Oefenen? Ach nee, dat kost geld, menskracht en verantwoordelijkheid. En verantwoordelijkheid is tegenwoordig vooral iets wat je zo snel mogelijk doorschuift. Zodra het misgaat, staat iedereen klaar met dezelfde reflex: “Niet mijn taak, niet mijn bevoegdheid, niet mijn probleem.”
Het is een bestuurlijke estafette zonder stok. Iedereen loopt, maar niemand draagt iets.
En dat is zorgelijk. Want als een paar dagen sneeuw al genoeg zijn om openbaar vervoer, logistiek en dagelijkse routines te ontregelen, wat gebeurt er dan bij een serieuze crisis? Een langdurige stroomstoring, een cyberaanval, extreme wateroverlast? Gaan we dan ook zeggen dat het “onvoorzien” was?
Nederland is kampioen plannen maken, maar amateurniveau uitvoeren. We vertrouwen op systemen die tot op het bot zijn uitgekleed en hopen dat het wel losloopt. Totdat het niet meer losloopt – en we elkaar verbaasd aankijken.
Misschien moeten we eerlijk zijn:
dit gaat niet over winterweer.
Dit gaat over een land dat verleerd is om voorbereid te zijn.
En dat is een stuk kouder dan sneeuw.
