Het is een vraag die zich niet laat vangen in een managementsamenvatting. Wie haar te snel beantwoordt, liegt — al is het uit goede bedoelingen. Want de waarheid is rommelig: we doen wat we doen om redenen die elkaar tegenspreken, overlappen en soms pas achteraf worden verzonnen.
Op het eerste gezicht lijkt de mens een rationeel wezen. We plannen, wegen af, maken beleid, schrijven rapporten. Maar wie goed kijkt, ziet iets anders: een soort driftige ordezoeker, voortdurend bezig zijn angsten te temmen met verklaringen. We handelen niet omdat we alles begrijpen, maar juist omdat we dat niet doen.
De filosofen wisten dit al. De mens is zich bewust van zijn eindigheid, en dat besef werkt als een motor. Wie weet dat hij tijdelijk is, wil sporen nalaten. Niet per se grootse — soms is een huis, een gezin, een boek of een herinnering al voldoende. Handelen is ons antwoord op het naderende zwijgen. We doen iets, omdat niets doen te veel lijkt op verdwijnen.
Psychologisch gezien is het beeld minder verheven. Het brein is geen objectieve rechter, maar een handige woordvoerder. Het verdedigt beslissingen die allang genomen zijn, vaak op basis van gewoonte, beloning of angst. We noemen het “overtuiging” wanneer we eigenlijk “comfort” bedoelen, en “principe” wanneer het vooral niet te veel mag kosten. De meeste keuzes zijn geen bewuste kruispunten, maar uitgesleten paden. En toch houden we vol dat we ze zelf gekozen hebben — want zonder dat verhaal wordt het bestaan wel erg kaal.
Geschiedenis leert ons hoe weinig hierin verandert. Elke tijd denkt uitzonderlijk te zijn, maar handelt opvallend voorspelbaar. Macht zoekt behoud, vooruitgang roept weerstand op, angst vermomt zich als moreel gelijk. In tijden van crisis grijpen mensen terug op wat ze kennen — niet omdat het beter is, maar omdat het vertrouwd is. Zo herhalen patronen zich, met andere woorden, andere gezichten, maar dezelfde reflexen. De geschiedenis is geen leermeester; zij is een spiegel waar we liever langs kijken.
Waarom doen we dan tóch steeds weer nieuwe pogingen? Waarom schrijven we nieuwe plannen, bouwen we nieuwe gebouwen, formuleren we nieuwe idealen, terwijl de oude nog niet eens zijn afbetaald?
Omdat handelen hoop suggereert. Zelfs een slechte beslissing is draaglijker dan stilstand. Beweging geeft het gevoel van richting, en richting lijkt op betekenis. Daarom vergaderen we liever dan besluiten, bouwen we liever nieuw dan onderhouden, en noemen we verandering “onvermijdelijk” om niet te hoeven toegeven dat het een keuze was.
Maar onder al die lagen — filosofisch, psychologisch, historisch — zit iets eenvoudigs en kwetsbaars: de wens om gezien te worden. Door anderen, door de tijd, door onszelf. We willen dat wat we doen ergens toe leidt, al is het maar tot de vaststelling dat het er was. Dat iemand later zegt: dit is geprobeerd.
Misschien is dat wel de reden dat verhalen zo hardnekkig blijven bestaan. Verhalen zijn handelingen die niet verdwijnen zodra ze zijn uitgevoerd. Ze leggen vast wat anders verdampt: twijfel, vergissing, moed, lafheid. Ze maken van losse daden een samenhang, al is die soms kunstmatig. Maar zonder die samenhang zou het leven voelen als een reeks losse dagen zonder titel.
Waarom doen we wat we doen?
Omdat we hopen dat het, achteraf gezien, zin krijgt.
Omdat we liever verklaren dan toegeven dat we tastend vooruitgaan.
Omdat niets doen ons confronteert met wat we liever vermijden: stilte, eindigheid, betekenisloosheid.
En misschien — heel misschien — doen we wat we doen omdat ergens, ooit, iemand het ziet en denkt:
Hij keek. Hij twijfelde. Hij handelde. En hij zweeg niet.
Dat is geen antwoord dat rust geeft.
Maar het is er een die blijft staan.
