De droom als museumstuk

Ze kregen er een Nobelprijs voor. Voor vrede, voor vrijheid, voor gelijkheid. Namen die we probleemloos citeren: Mandela, King, Malala, de Dalai Lama. Mensen die het lef hadden om hardop te zeggen dat de wereld anders kon — en anders móést.

Martin Luther King had een droom.
En wij hebben tegenwoordig vooral meningen.

Zijn droom ging niet over perfectie, maar over richting. Over een samenleving waarin afkomst geen eindstation is en waar gelijkheid geen gunst, maar een recht is. Geen revolutie met fakkels, maar een morele koerswijziging. Het radicale idee dat fatsoen niet onderhandelbaar is.

Anno 2025/2026 kijken we terug en knikken plechtig. Natuurlijk, Martin. Mooie woorden. Ontroerend zelfs. En daarna scrollen we verder, naar het volgende conflict, de volgende verontwaardiging, de volgende wij-zij-tegenstelling.

Vrijheid is opnieuw iets geworden dat je moet verdienen.
Gelijkheid is verdacht, want “niet iedereen kan gelijk zijn”.
En solidariteit? Dat is iets voor toespraken, niet voor beleid.

We vieren King elk jaar, maar zouden hem vandaag wantrouwen. Hij zou worden weggezet als polariserend, naïef, misschien zelfs gevaarlijk. Te confronterend. Te ongemakkelijk. Zijn droom past prima op een herdenkingsbord, maar slecht in een talkshow.

Het probleem is niet dat zijn droom faalde.
Het probleem is dat wij hem hebben gearchiveerd.

Alsof vrijheid vanzelfsprekend is. Alsof gelijkheid zichzelf onderhoudt. Alsof vrede een eindpunt is in plaats van een dagelijkse oefening. Ideeën zonder onderhoud worden symbolen. Symbolen zonder inhoud worden decor.

“I have a dream,” zei King. Tegenwoordige tijd. Geen nostalgie, geen afsluiting. Een opdracht.

Misschien staan we niet zo ver van zijn droom af als we denken.
Maar we staan er wel met de rug naartoe.