Vijftig komma vijf graden in Turkije.
Dat is geen temperatuur meer — dat is een sirene. Een keiharde waarschuwing van een planeet die haar laatste reserves verbrandt.
We discussiëren over grenzen. We doden elkaar om vierkante kilometers. We steken miljoenen in bommen, drones en kogels — terwijl de bossen branden, de rivieren opdrogen en oogsten mislukken. Alsof je in een brandend huis ruzie maakt over wie waar mag zitten op de bank.
We zijn kampioen korte termijn. Politici praten over koopkracht en migratie, maar niet over het feit dat onze kinderen straks nergens meer kunnen wonen, ademen of eten. Want tja — klimaatbeleid is niet populair bij de peilingen.
Intussen blijven we vliegen alsof kerosine nooit opraakt. We blijven vlees eten alsof het gras voor altijd zal groeien. En we blijven geloven dat ‘de technologie het wel oplost’.
De waarheid?
De aarde redt het wel zonder ons.
Wij moeten gered worden van onszelf.
Mijn grootvader zei altijd: “De hele wereld doet z’n best. Je moet het goed doen.”
En daar raken we de kern. Dit is niet het moment om ons best te doen. Dit is het moment om het goed te doen. Radicaal goed. Ongemakkelijk goed. Niet volgend jaar. Niet na de verkiezingen. Nu.
Want als we nu niet stoppen met vechten om macht, zal er straks geen macht meer zijn om te grijpen. Alleen een stervende wereld — en het besef dat we onze kinderen een graf cadeau hebben gedaan in plaats van een toekomst.
